Psychologisch portret van de laatste maanden uit het leven van Vidkun Quisling, minister-president van Noorwegen tijdens de Duitse bezetting. Quisling, openlijk bewonderaar van Hitler, vormde vanaf april 1940 een regering en collaboreerde met de Duitsers. Hij was verantwoordelijk voor de kritiekloze opstelling van de Noorse regering tegenover de Nazi’s en haar daden. Toen de oorlog na vijf jaar eindigde, was het tijd voor wederopbouw en werd Quisling ter verantwoording geroepen voor zijn collaboristische daden en ideologische overtuigingen.
De film is mede gebaseerd op het dagboek van Peder Olson, een pastor die werd aangewezen door de bisschop, de leider van de Kerk van Noorwegen om Quisling tijdens zijn laatste maanden in de gevangenis bij te staan. Olson die eigenlijk ziekenhuispredikant was, beschouwde het als zijn plicht om de gehate Quisling in zijn cel te bezoeken. Quisling had niets op met de predikant die zich bemoeide met zijn geestelijk welzijn, toch ontstond er een vertrouwensrelatie tussen beide mannen.
Aan de hand van die gesprekken geeft de film een inkijk in de gedachten en denkbeelden van de nazicollaborateur. De film laat een Quisling zien die het ene moment in razernij ontsteekt, het andere moment zijn kalmte bewaart en met overtuigingskracht over zijn onschuld spreekt. De filmmakers pleiten hem zeker niet vrij maar proberen het gecompliceerde karakter van Quisling te doorgronden. Olson wordt geplaagd door wroeging en schuldgevoel omdat hij net sympathie begint te krijgen voor Quisling. De film daagt uit om na te denken over goed en fout.